Hoe goed en hoe fout is Van Dale?*

"L'art suprême de la lexicographie, c'est la definition"

P. Imbs**

"Ik ben een niet ontevreden mens"

H. Heestermans***

H.J. Verkuyl

Universiteit Utrecht





0 Inleiding tot I en II.

Na de eerste golf recensies van Van Dale 12, is het tijd geworden voor de stillere wateren en diepere gronden van de wetenschappelijke vaktijdschriften. Eerste reacties op het verschijnen zijn uiteraard vluchtig: men vist zo snel mogelijk fraaie of minder fraaie dingen uit dit beste van alle mogelijke woordenboeken en richt daar de aandacht op. Tot een brede en diepgaande discussie over de meest essentiële eigenschap van het woordenboek, de kwaliteit van de betekenisdefinities, leidt dit vreemd genoeg niet.

Niet zonder enige ironie spreek ik over het ‘beste van alle mogelijke woordenboeken’. Leibniz –de geestelijke vader van mogelijke-wereldensemantiek– wordt wel eens verweten dat hij deze wereld beschouwde als de beste van alle mogelijke werelden. Hij kreeg hierop ongenadig kritiek maar volgens mij formuleerde Leibniz een cynisch maar toch ook redelijk gezond inzicht, nl. dat we leven in de wereld die we verdienen. Aan alternatieve mogelijke betere werelden wordt een uitgangsperspectief meegegeven: dat van de actuele werkelijkheid. Maar zo'n betere wereld kan nooit de actuele wereld zijn, want zou dat zo zijn, dan is alle kennis over de oorspronkelijke actuele wereld op slag principieel onbereikbaar. Elke actuele wereld is per definitie de enige die er feitelijk is, en dus de beste, hoe treurig die wereld ook is.

Zo is het met Van Dale. Elke keer als er een nieuwe druk verschijnt, schreeuwt hij net als de actuele wereld om voor de hand liggende betere alternatieven. En elke keer weer lijden experts onder het feit dat Van Dale zo onvolmaakt is. Hun lijden wordt alleen verzacht door de wetenschap dat dit ook geldt voor de actuele wereld. Kan het toeval zijn dat De Grote Van Dale duidelijk zichtbaar op het werkblad van de voorzitter van ons parlement staat, als hoogste taalautoriteit aan wie onze hoogste staatkundige autoriteit zich klakkeloos onderwerpt als het gaat om de analyse van haar belangrijkste hulpmiddel, de taal? Wie de meer dan treurige wijze beziet, waarop de Nederlandse politiek omgaat met onderwijs en cultuur en wie tevens ziet hoe een woordenboek waar zo veel fundamenteels aan mis is, het brengt tot scheidsrechter en autoriteit, kan niet anders dan constateren dat dit wel het beste van alle mogelijke woordenboeken moet zijn.

Toch is er een manier om het cynisme van deze constatering om te buigen: de kwaliteit van Van Dale kan worden afgemeten aan andere actuele "werelden". Wie werkelijk wil weten of Nederland een beschaafd land is, moet internationale maatstaven in beschouwing nemen. Het is bekend dat die niet steeds in het voordeel van Nederland uitvallen. Ik zal laten zien dat dit ook niet het geval is voor woordenboeken.

Dit artikel richt zich op Van Dale als boek waarin (i) de betekenissen van woorden worden vastgelegd; en (ii) de betekenissen van woorden worden gemarkeerd voor een bepaald gebruik. Het eerste deel –in dit nummer– gaat over de vraag of de betekenisinformatie in Van Dale aan redelijke eisen van compleetheid, consistentie en correctheid voldoet. Mijn conclusie zal zijn dat Van Dale structureel lijdt aan wat ik zal noemen "lokale onvolledigheid", aan een systematisch optredende vorm van inconsistentie, en aan schrikbarend onjuiste informatieverstrekking. Wie probeert deze negatieve eigenschappen onder één noemer te brengen, moet constateren dat Van Dale een nogal verontrustende vorm van ongecijferdheid (Paulos 1988) vertoont en in ruimere zin een gebrek aan belangstelling voor de betrouwbaarheid van informatie over kennisgebieden die in onze maatschappij en cultuur belangrijk zijn. Ook na de Kruyskamp-periode is Van Dale een typisch "alfa-product" gebleven, maar helaas in de slechte zin van het woord alfa.

Het tweede deel – dat in het volgende nummer van de Nieuwe Taalgids zal verschijnen – gaat over de vraag hoe Van Dale discriminerend taalgebruik aanpakt. Taalkundigen doen daar meestal wat dooddoenerig over en als gevolg daarvan is de kwestie nooit goed besproken. Het punt dook ook weer op in dagbladbesprekingen. Doordat Heestermans zich in een interview in Onze Taal uiterst onzorgvuldig uitliet over deze kwestie, is een nadere analyse van het anti-semitisme dat eerdere drukken van Van Dale is binnengeslopen en waarvan de sporen nog steeds niet verdwenen zijn, op zijn plaats. Wie, zoals veel taalkundigen en lexicografen, staande houdt dat het woordenboek een spiegel moet zijn van wat leeft in de samenleving, heeft een gelijk aan zijn zijde, maar een te gemakkelijk, ondoordacht en schijnbaar gelijk. Spiegels zelf hebben geen meegegeven vooronderstellingen, lexicografen wel. Maar daar is de discussie tot dusver helaas nooit over gegaan.

Beide punten signaleren een structureel gebrek aan een goede strategie om de informatie over een woord te presenteren als behorend tot een groter geheel waarin dat woord functioneert.

I Hoe goed is Van Dale?

1.0 Inleiding. Van Dale wordt voor de betekenisinhoud van de woorden op drie punten getoetst: compleetheid, consistentie en correctheid. Voor elk van deze punten zijn redelijk te achten criteria te vinden. Zo is "globale volledigheid" theoretisch noch praktisch haalbaar. Niemand zal Van Dale echt lastig vallen wanneer woorden als baantjestrekker of toetsingspunt ontbreken: het is simpelweg niet mogelijk alle trefwoorden op te nemen. Van Dale scoort al goed als hij meer trefwoorden geeft dan enig ander Nederlands woordenboek. Hij zal dus niet worden beoordeeld op globale volledigheid.

Bij lokale compleetheid wordt de aanwezigheid van woorden die door hun betekenis met andere woorden in een bepaald kennisgebied zijn verbonden, vereist doordat die andere woorden ook zijn opgenomen. In die interpretatie is Van Dale lokaal onvolledig als hij bijvoorbeeld onder getal aangeeft dat er natuurlijke, positieve, negatieve, gehele, en reële getallen zijn, maar daarbij verzuimt de rationele te noemen. Of wanneer hij argument definieert als ‘(log.) deel van het domein van een functie’, maar nalaat om het ermee verbonden deel uit het co-domein van de functie te noemen. Onder lokale onvolledigheid hoort ook thuis dat bij argument het evenzeer courante ‘(log.) de term waarop een predikaat van toepassing is’ ontbreekt. Hier komt de term consistentie al in het zicht, want waarom wel (een zekere) volledigheid voor het ene kennisgebied en niet voor het andere, maar met consistentie heb ik hier primair op het oog de definitorische samenhang in een bepaald kennisgebied. Definities moeten op elkaar zijn afgestemd en geen strijdige informatie bevatten. Correctheid van een definitie tenslotte is de juistheid van de gegeven informatie –overeenstemming met de feiten – alsmede de mate van precisie: Van Dale's ‘(log.) deel van het domein van een functie’ voor argument is onnodig vaag en daardoor misleidend, want een deelverzameling van dit domein kan nooit een argument worden genoemd: een functie werkt op de elementen uit haar domein. Waarom zou je het niet goed doen als je het woord argument in deze betekenis opneemt?

Van Dale is geen encyclopedie en ik beweer ook niet dat hij dat zou moeten worden. Geen lexicograaf kan zich echter onttrekken aan het gegeven dat tal van woorden die tot de omgangstaal van wetenschap en technologie behoren, in de omgangstaal terechtkomen. Van Dale zelf zegt er dit over:

(1) Als criterium voor opneming [van termen uit de vaktaal, hjv] hebben wij gehanteerd: een vaktaalwoord moet zich hebben losgezongen van het beperkte gebied waarin het vroeger thuishoorde, het moet regelmatig buiten de vaktaal worden aangetroffen in tijdschriften met een algemeen karakter of in de cultuur- en wetenschapsbijlagen van kranten of weekbladen (p. xvii f.)

Dit citaat legt twee feilen in de werkwijze van de redactie bloot. Wat betekent "waarin het vroeger thuishoorde"? Dat een woord in de vaktaal waar het uit voorkomt moet zijn afgeschaft om in Van Dale te worden opgenomen? En wat moet men zich voorstellen bij "zich loszingen van zijn betekenis". Houdt het criterium in dat men in Van Dale juist niet kan vinden wat het woord in een vaktaal betekent? Nee, Van Dale probeert wel degelijk de vakdefinities te geven, al zijn ze dan losgezongen. Battus (1993) was in dit opzicht wel heel erg aardig toen hij zijn afschuw van enkele Van Dale's definities matigde door hem te zien als een "algemeen woordenboek". Maar juist door de opname van talloze vaktermen is Van Dale geen algemeen woordenboek tenzij algemeen woordenboek zou betekenen: ‘woordenboek waarin de betekenis van vaktermen aan leken wordt uitgelegd’. In dat geval is Van Dale wel een algemeen woordenboek, maar dan ontstaat de simpele vraag: legt Van Dale vaktermen goed uit aan leken? En daarmee zijn we terug bij de drie criteria die ik aan het ontwikkelen ben: compleetheid, consistentie en correctheid. En bij de vraag: heeft Van Dale enig idee wat vaktermen zijn en wat hun rol is in het Nederlands waarvan ze deel uitmaken?

Er is nog een onthullende en ook zorgwekkende passage in (1): woorden moeten "regelmatig … worden aangetroffen". Hoe positief men ook moge zijn over het feit dat termen uit relatief beperkte kennisdomeinen worden opgenomen, men moet toch vaststellen dat Van Dale slachtoffer is van zijn lange filologische verleden, die men de Prikkebeen-traditie kan noemen omdat elk woord als een vlinder keurig wordt opgeprikt en in de verzameling wordt bijgezet. Zo worden woorden "aangetroffen", namelijk los van een verband waarin ze functioneren. Al kon aan die (kaartenbak-)traditie een einde komen toen de computer zijn intrede deed, er zijn nog veel – en naar mijn oordeel veel te veel – sporen van die attitude zichtbaar. Recente uitspraken van Heestermans (1992a;1992b) geven geen enkele hoop op een drastische koerswijziging. Integendeel, de wens om literaire vlinders aan Van Dale 13 toe te voegen (door citaten van auteurs op te nemen) is werkelijk schrikbarend, ook al gezien de veel grotere prioriteit die er zou moeten zijn voor een grondige verbetering van de betekenisbeschrijvingen. Zijn zucht om zoveel mogelijk nieuwe woorden op te nemen ook als hun betekenis voorspelbaar is uit samenstellende delen, baart ernstige zorgen. De ruimte die zij innemen kan op een betere wijze worden benut, nl. meer inhoudelijke informatie.

In dit artikel neem ik een aantal kennisgebieden in beschouwing om zo vast te stellen of Van Dale als informatiebron voldoet aan alleszins redelijke eisen: ik heb mij beperkt tot logica, wiskunde, geneeskunde, biochemie, economie en financiën, rechten, muziek en de WUB. Daarmee bestrijk ik vrijwel alle gebieden die door Van Dale in het voorwoord zelf zijn aangegeven als vakgebieden met een vaktaal. In §1.1 worden de drie beoordelingspunten eerst nader toegelicht voor een beperkt en relatief toegankelijk domein, nl. dat van het schaken. Die exercitie maakt nog twee beoordelingscriteria zichtbaar. Met die vijf toetspunten worden in §1.2 - §1.8 de Van Dale-definities voor woorden uit de genoemde kennisgebieden bekeken. De conclusie in §1.9 is uiterst somber: het is echt veel erger dan men al lang kon denken dat het was.

1.1 Iets over schaken. Ik ben een groot liefhebber van schaken en ik hoef dus niet in Van Dale op te zoeken wat een loper, een toren, een paard, een pion, een dame en een koning is. De betekenissen van de woorden die schaakstukken aanduiden, zijn mij in mijn vroege jeugd geworden. De betekenis van paard en loper hoort natuurlijk wel in Van Dale 12 te staan: het zijn veelgebruikte Nederlandse woorden want schaken is populair. Een bijkomend argument is dat aan kopers van Van Dale ook wordt uitgelegd wat woordenboek betekent, namelijk:

boek waarin de afzonderlijke woorden van een taal (met opgave van bep. grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen.

terwijl de aanschaf ervan bewijst dat ze die betekenis wel kennen. Zoals een taalkundige graag wil dat de betekenisomschrijving van woordenboek correct is –Van Dale's definitie is dat bepaald niet–, wil een schaker dat de betekenis van een woord uit het schaakspel correct worden weergegeven.

Het lijkt me bij de beoordeling van een betekenisomschrijving in Van Dale niet onredelijk met een ondergrens en een bovengrens te werken: je wilt iets te weten komen over hoe een woord functioneert in een bepaald domein zonder te eisen dat alle finesses in Van Dale staan. De betekenis van paard als schaakstuk in (2) brengt ons beneden de ondergrens:

(2) naam van een stuk uit het schaakspel.

Van Dale reduceert de betekenis van paard tot ‘paard’. Informatiewaarde nul. Wie wat ongelovig terugbladert naar loper, wordt doorverwezen naar raadsheer en daar staat (3) als definitie.

(3) het stuk dat bij het begin van het schaakspel naast de koning of koningin staat opgesteld [en dat zich langs de diagonale lijnen (voorzover die open zijn) mag bewegen en niet langs de rechte].

Een eerste opluchting dat er zoveel geboden wordt, maar wat moeilijk is het toch om precies te zijn. Bij het begin van het spel staan er per kleur twee lopers op het bord, één naast de koning, de ander naast de koningin, maar door het gebruik van of in (3) zou men foutief kunnen afleiden dat er per spel maar één loper is die soms naast de koning, soms naast de koningin staat. Maar goed, afgezien van deze kleine oneffenheid, wordt er redelijk correcte informatie verschaft: de beginpositie wordt gegeven en, belangrijker: een loper gaat diagonaal over het bord. Daarmee komt Van Dale ten opzichte van paard een eind in de richting van een redelijk te achten bovengrens: wat nog ontbreekt is informatie over de vorm van het stuk –Webster 1974 geeft daar een plaatje–maar men kan nu eenmaal niet alles hebben in deze wereld.

De vierkante haken in (3) zijn van mij afkomstig. Ze geven aan dat de informatie die ertussen staat, is toegevoegd vanaf Van Dale 11. De huidige hoofdredactie heeft in (3) dus de definitie uit Van Dale 10 verbeterd. Dit is een belangrijke observatie, want zij opent de vraag waarom dit niet is gebeurd is met (2) en (4). Die vraag gaat over de consistentie. Zonder de uitbreiding in (3) was consistentie overigens ook al een probleem want in Van Dale 10 gaf (3) al meer informatie dan (2).

Kijken we nu bij toren. Wie hier de doorverwijzing naar kasteel ziet, begint te vermoeden dat Oom Jan zijn neefjes bij Van Dale heeft leren schaken toen Max Euwe wereldkampioen werd. Tegenwoordig is kasteel net als raadsheer in onbruik geraakt. Men leest bij kasteel :

(4) stuk uit het schaakspel in de vorm van een ronde vestingtoren

Deze definitie stond al in Van Dale 8 en zij is in alle latere drukken blijven staan. Hier wordt geen informatie meer verschaft over de positie van het stuk aan het begin van het spel, noch over de loop van het stuk, nl. uitsluitend de rechte velden (horizontaal en verticaal, voor zover ze open zijn) en niet langs de diagonale velden. We zitten weer onder de ondergrens.

In de buurt daarvan blijven we als we ook de andere stukken inspecteren. De termen dame en koningin zijn anno 1992 nog synoniem: beide woorden worden nog steeds door elkaar gebruikt, ook in het taalgebruik van individuele sprekers, al lijkt dame aan de winnende hand. Een dame mag zowel over de rechte als over de diagonale velden lopen (voor zover die open zijn). Zij combineert dus de eigenschappen van loper en toren. Bij koningin staat:

(5) (als figuur in allerlei spelen) het op één na voornaamste stuk in het schaakspel, syn. dame

Hier moet een kort intermezzo worden ingelast, want bij dame staat: ‘(germ.) koningin in schaak- en kaartspel’. De kwalificatie germanisme is natuurlijk meer dan absurd. Ook in Duitse woordenboeken wordt Dame (Schach) synoniem verklaard met Königin en het is niet in te zien waarom dame wel een germanisme zou zijn en koningin niet. Bovendien waarom zou het Nederlands niet mogen beschikken over het paar dame-koningin, terwijl heel Europa wordt gekenmerkt door soortgelijke paren: Dame-Königin (Duits), dame-reine (Frans), dama-reina (Spaans) en dama -regina (Italiaans). Zelfs het Russisch kent het woord dama in allerlei spellen. En om dit vreemde punt linguïstisch af te ronden: in (5) wordt koningin synoniem verklaard met dame. Hoe kan dat als dame een germanisme is?

Weer terug op de hoofdlijn luidt de vraag waarom in (5) wéér een ander soort definitie wordt gegeven? Niet één waarin de vorm wordt beschreven, maar het belang van het schaakstuk, net als bij koning (‘het voornaamste stuk in het schaakspel’) en pion (‘het schaakstuk van de minste waarde’). De daarbij passende vraag is: waarom opereert Van Dale hier zo inconsistent en incorrect in de buurt van de ondergrens? Of gewoon incorrect, door van schaak te zeggen dat het synoniem is met schaakmat? Deze vragen zijn niet retorisch want Van Dale zit niet steeds mis. Promoveren wordt correct beschreven, net als rokade en pat. Alle drie dicht bij de bovengrens: men krijgt goede informatie en degenen die kunnen schaken, voelen zich er wel bij. Maar opvallend is dat rokade en pat al uitgebreid in Van Dale 8 stonden, terwijl promoveren in Van Dale 11 is toegevoegd. Ook deze observatie geeft opnieuw inzicht in de vraag hoe Van Dale wordt uitgebreid: slecht dus, want niet met het oog op het systeem waarvan een term deel uitmaakt.

Er is ook een grillig gebruik van toelichtingen. Bij pion staat bijvoorbeeld: een pion nemen. Twee vragen roept dit op: waarom staat er niet soortgelijke informatie bij de andere stukken die ook te nemen zijn –dus niet bij koning, Mijnheer Van Dale– en waarom staat bij nemen niet dat het ‘slaan’ betekent? Want dat is de meest gebruikelijke term: je slaat een pion. Het algemene toetsingspunt dat ik hieruit wil distilleren, is de kwaliteit van de toelichtende voorbeelden. Verontrusting over het al eerder gemelde voornemen van Heestermans om Nederlandse literatuur in Van Dale te stoppen via citaten is op haar plaats, want waarom iemand door het lezen van de toelichting ‘gelijk een schip ging hij, een schip dat is een paard der waatren (A. Roland Holst)’ meer inzicht krijgt in de betekenis van paard is een raadsel. En hoe lief de poëzie van Roland Holst mij ook is, Van Dale als quasi-literaire gids is volstrekt onnodig zolang dit soort verwijzingen de plaats inneemt van veel zinniger informatie, met name over het gebruik van een woord in allerlei verbindingen waarin het vaak voorkomt. In het algemeen zit er heel weinig systeem in de commentariënde toelichtingen. Van Dale komt bijvoorbeeld buitenlanders die Nederlands beheersen en die een Nederlands-Nederlands woordenboek gebruiken nauwelijks tegemoet: die hebben –net als veel Nederlanders die moeilijke woorden willen leren – heel prozaïsch behoefte aan informatie over de wijze waarop je een woord gebruikt.

Hoe doet Webster het? In Webster (1974) –nog niet eens de top uit de serie en ruim achttien jaar geleden– staan de volgende definities:

(6)

pawn a chessman of the lowest value: it can be moved only forward and but one square at a time (or two squares on its first move), but it captures with a diagonal move.

bishop a chessman that can move in a diagonal direction across any number of empty squares of the same colour. [Hierbij wordt een plaatje gegeven van een loper].

knight a piece shaped like a horse's head: it is moved one square, whether occupied or unoccupied, in any vertical or horizontal direction, and then one square diagonally.

rook either of the two corner pieces shaped like a castle tower: it can move in a vertical or horizontal direction over any number of consecutive, unoccupied squares; castle.

queen the most powerful piece, permitted to move any number of unoccupied spaces in a straight or diagonal direction.

king the chief piece, which can move one square in any direction: the game is won by checkmating the opponent's king.

Ondanks de kleine onvolledigheden (bijv. bij rook wordt over twee stukken gesproken, bij knight en bishop niet) is het duidelijk dat er iemand met verstand van zaken naar de definities in (6) heeft gekeken. Zo wordt de gaffe in (5) vermeden waarin de dame het één na voornaamste stuk wordt genoemd, want iedereen die schaakt weet dat het belang van de koning en dat van de dame tot de imponderabilia behoren (de koning doet nooit mee als men de waarden van de stukken uitdrukt in getallen; hij is "hors concours"). Webster meldt correct dat de koningin het sterkste stuk is, en dat de koning het stuk is waar het spel om draait.

Bij de Webster-definities in (6) valt op dat elk ervan informatie geeft over de wijze waarop het stuk in kwestie zich over het bord beweegt. Daarbij wordt additionele informatie gegeven. Bij Van Dale daarentegen is er niet één constante eigenschap en daardoor treedt er inconsistentie op. In (2) — (5) figureren de eigenschappen ‘nul’, ‘beginpositie’ + ‘beweging’, ‘vorm’ en ‘belang’, maar geen ervan komt in elk van de lemmata voor. Wel komt ‘belang’ voor bij dame, koning, en pion, maar in de eerste twee gevallen is dat fout. De Petit Robert (met ongeveer de helft van het aantal pagina's in Van Dale 12) zit kwalitatief tussen Van Dale en Webster in, maar veel dichter bij Webster en dan bij Van Dale. Waarom is Van Dale niet zo goed als Webster? Een van de antwoorden is dat Webster correctheid van de informatie belangrijker vindt dan onnozel vertoon van eruditie.

Er is nog een punt: Van Dale signaleert niet dat raadsheer en kasteel verouderd zijn, ja geeft zelfs de voorkeur aan de beide verouderde trefwoorden. Definitie (3) hoort bij loper en niet meer bij raadsheer te staan, (4) hoort bij toren en niet meer bij kasteel. Ook de karakterisering in Van Dale 12 van dame als germanisme is een aanfluiting. Men kan zich hier uiteraard niet beroepen op de wens dat Van Dale minstens de laatste 150 jaar bestrijkt, want hij signaleert wel dat schaak geven verouderd is, wat overigens blijkens mijn waarnemingen in de schaakwereld onjuist is. Ook op dit punt is Van Dale dus inconsistent: soms wordt gesignaleerd dat woorden zijn verouderd, soms gebeurt dan niet. Het vijfde algemene punt dat hiermee aan de orde is gesteld, is dat Van Dale blijkbaar geen middelen heeft om te signaleren wanneer in het taalgebruik bepaalde woorden verouderd raken. Bij schaken is het falen van Van Dale amusant, maar als Van Dale predikaat wel definieert als uitsluitend gerelateerd aan de notie ‘subject’, miskent hij niet alleen het moderne standaardgebruik in de logica waarin predikaten argumenten bij zich hebben, maar draagt hij actief bij aan het in stand houden van achterhaalde of op zijn minst incourant geworden definities. Kan men dit alles Van Dale verwijten? Ja, want het moet toch niet zo lastig zijn om net als bij Webster systematisch contact te hebben met mensen die zich actief bewegen op een kennisgebied waarvan termen zijn opgenomen in Van Dale. Zij kunnen minder courant taalgebruik naar behoren signaleren en karakteriseren.

Samenvattend constateren we dus in (een klein deel van) het schaakdomein op vijf punten ernstige problemen: (a) volledigheid; (b) consistentie; (c) correctheid; (d) het bijhouden van veranderende betekenissen; en (e) het citeren ter verduidelijking van betekenissen. De dieper liggende oorzaak van de vijfvoudige misère is dat er geen organiserende visie is op kennisdomeinen die de definities verbindt. Deze "hapsnap-strategie" is eerder kenmerkend voor Van Dale dan uitzondering. De redactie werkt nog steeds met kaarten –weliswaar nu keurig op de computeruitdraaien; vellen moet men dus zeggen–, maar de lemmata worden blijkbaar één voor één bekeken zonder een systematische doorlichting van het systeem waarvan zij deel uitmaken. Het is nog steeds min of meer toeval als iemand op de redactie er aan denkt dat er een samenhang zou kunnen bestaan tussen termen. Dit punt laat zich ook goed illustreren aan de hand van de definities van alfa, geesteswetenschap en alfavak in voetnoot 2: een alfa is in de ene definitie iemand die zich bezighoudt met theologie, geschiedenis, kunstwetenschappen, taal-en letterkunde, rechten, etc., maar een alfavak wordt gedefinieerd als taalkunde of geschiedenis.

Van Dale kan op de hier gegeven kritiek antwoorden: ‘Tja, het schaakspel. Voor hetzelfde geld zijn er voor het kaatsspel wel een veertigtal termen te bedenken. Moeten die in Van Dale? Moeten alle spelregels dan in Van Dale? En zijn die spelen zo belangrijk?’. Men kan zo'n antwoord niet uitsluiten in een tijd gedomineerd door moderne bureaucraten en andere klerken uit het postmoderne bestuurskundige circuit, voor wie waarheid als waarde sterk gerelativeerd is (er zit boos venijn in de staart van deze zin, maar dat wordt nog even gekoesterd tot §1.2). Om een dergelijk antwoord bij voorbaat uit te sluiten, moeten twee dingen gezegd worden. Ten eerste, het schaken is slechts genomen als representant van die kennisdomeinen waarin door expliciete of impliciete afspraken tussen mensen onderling een zeker systeem van onderling samenhangende termen is ontstaan. Dat schaken veel gemeen heeft met het bedenken van wetenschappelijke theorieën komt mooi uit, maar ook zonder die opwaardering van het spel gaat het verhaal op. Ten tweede, niemand verplicht Van Dale om termen uit het schaakspel op te nemen. Maar doet hij het wel, dan moet hij het ook goed doen. Zo simpel ligt het. Ook dit geldt voor alle kennisdomeinen die in de volgende paragrafen de revue zullen passeren. En Van Dale doet het niet goed. Op geen van die gebieden.

1.2 Iets over logica. De logica is aan het eind van de vorige eeuw grondig vernieuwd door de invoering van wiskundige begrippen en technieken. Sommigen zeggen zelfs dat de logica heeft stilgestaan vanaf Aristoteles en dat zij zich pas vanaf Frege (zo men wil Leibniz) weer verder heeft ontwikkeld. Wat hiervan zij, in tal van wetenschapsgebieden speelt de formele logica thans een belangrijke rol, zo niet op de voorgrond dan prominent op de achtergrond (wiskunde, filosofie, methodologie, taalwetenschap, economie, rechten, computertechnologie, artificiële intelligentie, sociologie, allerlei takken van de psychologie, etc., etc.). De computertechnologie is zelfs ondenkbaar zonder de wiskundige logica. Talrijke leerboeken hebben er toe bijgedragen dat veel van de basisbegrippen toegang hebben gevonden tot wat men wel aanduidt als de omgangstaal van algemeen ontwikkelden, net zoals dat het geval is voor veel medische, economische, en natuurwetenschappelijke termen; kortom voor de groep waarop het hierboven geciteerde criterium voor vaktaaldefinities van toepassing is.

Het logische erfgoed wordt het liefst buiten de deur gehouden, zo lijkt het. In de logica gebruikt men bijvoorbeeld atomair (tegenover complex) voor proposities die niet verder ontleedbaar zijn maar in geen van de vier betekenissen die Van Dale geeft voor atomair komt deze betekenis voor (wel die uit de chemie en fysica). De betekenis ‘niet verder ontleedbaar’ kan niet expliciet worden afgeleid via atoom. Dat is niet zo erg, want missers kunnen voorkomen, maar Van Dale presteert het om de voornaamste logische begrippen die ook gemeengoed zijn geworden buiten de logica niet op te nemen of op een zo knullige manier dat men er echt wanhopig van wordt. Hèt voorbeeld hiervan is waarheidswaarde, een veel voorkomende en ook niet al te moeilijke term. Is een zin als Maarten houdt van spellen waar voor een bepaalde situatie, dan kent men er de waarheidswaarde 1 of W aan toe. Is de zin onwaar, dan krijgt hij de waarheidswaarde 0 (of: O). Waarheidswaarden zijn dus enen en nullen, of W's en O's, of zo men wil aan en uit-standen van een schakelaar. Hoe definieert Van Dale waarheidswaarde sinds Van Dale 10?

(7) waarde als waarheid: de waarheidswaarde van een beweringsinhoud (Wijsgerig Perspectief)

Hoe treurig. Drie drukken al! Wat moet iemand die dit woord tegenkomt en het opzoekt in Van Dale, zich nu voorstellen bij ‘waarde als waarheid’. Niets dus. Hier wordt op zijn minst non-informatie gegeven, nog erger dan bij paard in (2). Men kan ook gewoon zeggen dat er nonsens staat. Bij het woord waarheid, waaraan bijna een kwart bladzijde is besteed, wordt niet gezegd dat waarheid een eigenschap is van beweringen, van zinnen, van proposities, van uitspraken, of welke termen men ook wil gebruiken voor dingen die waar of onwaar kunnen zijn. Voorspelbaar wordt dat waarheidszucht er wel in staat en waarheidstafel niet. Ook wekt het geen verbazing dat de uiterst centrale term waarheidsconditie ontbreekt, net als waarheidsfunctioneel. Kijken lexicografen dan nooit inleidende boeken in om te zien wat tot de geestelijke bagage behoort van eerstejaars-studenten in een vakgebied?

Het wordt nog treuriger. Bij propositie ontbreekt elk minimale informatie, bijvoorbeeld ‘bewering’ of ‘uitspraak’, of ‘beweringsinhoud’ (dat begrip zou men hebben kunnen halen uit (7), maar het komt als trefwoord niet voor). Nee, Van Dale biedt de informatie uit (8).

(8) 1. voorstel … 2 (dichtk.) het voorstellen, noemen van het onderwerp bij de eerste dichtregel; 3. proefpreek… 4. (wisk.) formulering van het te bewijzen theorema of het uit te voeren problema; –(ook) het theorema of problema zelf;

Wat een problema is –het staat er twee maal, dus een drukfout zal het niet zijn– het wordt niet duidelijk als men het opzoekt bij problema, want dat ontbreekt als trefwoord. Het is ook in geen modern basisboek van de wiskunde als term te vinden. Gaat men via propositielogica, waar wordt uitgelegd dat deze ‘de aard der betrekkingen tussen de [de?, hjv] proposities’ bestudeert naar connectief (een element dat dergelijke betrekkingen legt), dan vangt men bot. Bij conjunctie staat wel de astronomische en de astrologische betekenis en ook dat het voor taalkundigen een voegwoord is, maar dat het een samenvoeging van twee proposities door het connectief & is, wordt niet vermeld. Bij disjunctie winnen plantkunde en taalkunde het opnieuw: er is geen ruimte voor de zo belangrijke verbinding van twee proposities door middel van of (Webster 1974: ‘the relation between two or more alternatives of a compound proposition’). Dat exclusief en inclusief als veel voorkomende termen voor het verschillend gebruik van of totaal afwezig zijn, moge nog enige verbazing wekken, dat autjunctie en veljunctie ontbreken al lang niet meer. Het woord disjunctie toont overigens opnieuw hoe inconsistent Van Dale is: de taalkundige betekenis ervan wordt omschreven als ‘het niet gecorreleerd zijn van fonemen, tgov. correlatie, conjunctie’. Bij correlatie ontbreekt de fonologische betekenis en zij is niet af te leiden uit de algemene betekenis, bij conjunctie ontbreekt de tegenhanger van disjunctie in de hier bedoelde fonologische zin, want er staat alleen ‘(taalk.) voegwoord’. Hallo, hoofdredactie wordt u wakker! Bij implicatie staat (9), terwijl Webster (1974) voor implication (10) geeft:

(9) 1. verwikkeling in een zaak; 2 dat wat in iets opgesloten ligt, wat het meebrengt …; 3 het geïmpliceerd-zijn, … in het bedoelde begrepen (zijnd).

(10) 1. an implicating or being implicated 2. an implying or being implied 3. something implied, from which an inference may be drawn; specif., Logic a formal relationship between two propositions such that if the first is true then the second is necessarily or logically true.

Ziet u het verschil niet? Maak dan een woordenboek in Nederland. Wie het wel ziet, vraagt zich verbijsterd af hoe het toch komt dat Webster in 1974 al correct een belangrijk element uit een belangrijk geestelijk erfgoed uit de eerste helft van deze eeuw heeft opgenomen terwijl dat in de uitgebreidere Van Dale anno 1992 nog steeds ontbreekt.

Wie enigszins vertrouwd is met de ontwikkelingen in de logica in deze eeuw, ervaart het als pijnlijk om te zien hoe predikatenlogica is omschreven:

(11) die tak van de symbolische logica waarin theorieën geformaliseerd worden die over predikaten en individuen handelen.

De klok en de klepel. Ten eerste wordt in (11) een categoriefout gemaakt die misschien op de logische en taalkundige werkvloer wel voorkomt –men haalt vaak voor het gemak de zaken waarover gepraat wordt en de termen voor die zaken door elkaar–, maar een feit is toch dat individuen in verzamelingen zitten, en niet in predikaten. Een predikaat kan verwijzen naar een verzameling van individuen. Een predikaat is een term uit een taal, terwijl individuen voorkomen in het domein waarover die taal spreekt. Dus beter zou in (11) zijn: "…die over predikaten en argumenten handelen". Een predikaat heeft een of meer argumenten bij zich, niet een of meer individuen. In dit verband is er nog een heel courant woord: prediceren (= een predikaat toepassen op een argument). Van Dale 12 definieert prediceren als: ‘voorspellen, voorzeggen’. Ook hier blijkt dat er geen "logisch vakoog" heeft meegelezen. Bij operator staat:

(12) (wisk., log.) symbool dat een operatie aanduidt: de zgn. operatoren van de propositielogica: ‘met, en, of, als–dan’ (Wijsgerig Perspectief).

Dat het gebruik van de in het citaat impliceert dat er in het genoemde rijtje een operator (nl. dan en slechts dan) ontbreekt, wie zou het willen weten? Het gaat mij in (12) om iets anders: met moet worden vervangen door niet. Men moet de redactie niet al te lastig vallen met tikfouten. Maar is dit er één? Ik vrees dat het erger is: men is op de redactie van Van Dale simpelweg niet in staat is om te zien dat met fout is.

Met het oog op de toetsingspunten kan worden vastgesteld dat Van Dale slecht scoort: hij is onvolledig in de breedte (er ontbreken te veel termen), incorrect (teveel termen worden niet goed omschreven), de moderne ontwikkelingen hebben geen ruimte gekregen –wel het oude Aristotelische, niet het Fregeaanse predikaatbegrip dat daarvoor vrijwel in de plaats is gekomen–, en tenslotte er is een opvallend inadequate illustratie van de betekenissen door misleidende citaten.

1.3 Iets over wiskunde. Bij complexe wiskundige begrippen zoals differentiaal, integraal, transfiniet, etc. is de bovengrens al heel snel zichtbaar. Iedereen beseft dat en daar gaat de discussie dus niet over. Maar toch, het woord transfiniet ontbreekt in Van Dale, terwijl Petit Robert ‘Nombre ordinal d'un ensemble ordonné infini’ geeft. Het kan woordenboekgebruikers op weg helpen om een weggezonken begrip weer te pakken te krijgen. Vandaar dat dergelijke termen niet hoeven te ontbreken. Van Dale doet zijn best: hij geeft de betekenis van differentiaal in (13). Maar Webster's (14) is beter, ook al omdat Van Dale's omschrijving van limiet ons niet verder helpt.

(13) (wisk.) de limiet van een kleine aangroeiing van een veranderlijke grootheid

(14) Math. an infinitesimal difference between two consecutive values of a variable quantity

Zoals gezegd, het gaat hier om complexe begrippen en alleen vergelijking van definities door experts kan uitkomst bieden.

Er zijn ook toegankelijker gebieden van de wiskunde, bijv. de verzamelingentheorie. Wie wil nagaan wat de door wiskundigen ontwikkelde definitie is, vindt de kern hiervan wel in Webster (1974) –a prescribed collection of points, numbers or other objects that satisfy a given condition–, maar niet goed in Van Dale 12 –geheel van objecten (‘elementen’ genoemd) die gezamenlijk tot een bepaald wiskundig verband behoren, b.v. van een matrix. Webster geeft correct aan dat objecten een verzameling vormen op grond van het feit dat ze een bepaalde eigenschap met elkaar gemeen hebben, terwijl Van Dale onnodig vaag is, en dus incorrect, met "een bepaald wiskundig verband". Bij verzameling wordt bovendien als enige citaat gegeven: ‘in de moderne wiskundige verzamelingenleer worden verzamelingen grafisch vaak weergegeven als cirkels (Verschuyl)’. Much obliged, maar het is toch vreemd dat niet uit bijv. Van Dalen e.a. (1975) wordt geciteerd. Bovendien, waarom wordt er niet doorverwezen naar het trefwoord Venn-diagram, zodat daar ook duidelijker wordt wat men zich moet voorstellen bij het nietszeggende ‘wiskundig figuur die een verzameling aangeeft’.

Een algebra is een verzameling V met een of meer operaties op de elementen ervan, waarbij het resultaat van elk van de operaties zelf ook een element van V is (zo is c in a+b=c een natuurlijk getal als a en b dat ook zijn). Een op dit inzicht afgestemde definitie van algebra ontbreekt in Van Dale:

(15) deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van grootheden die voorgesteld worden door symbolen (letters), syn. stelkunde.

Definitie (15) is vaag en nietszeggend, zeker vergeleken met Petit Robert die algebra (o.a.) als volgt karakteriseert:

(16) Théorie des opérations effectuées sur des objects abstraits ou êtres mathématiques, définis par un ensemble de propriétés posées à priori.

Hier nu staat (in 1973) correct wat Van Dale (in 1993) weigert te zeggen. Webster (1974) scoort hier iets minder goed dan Petit Robert, maar beter dan Van Dale.

Nog dichter bij de begrippenbodem is de vraag hoe Van Dale omspringt met werkelijk heel elementaire maar uiterst belangrijke en ook veel gebruikte termen als reflexief, symmetrisch, transitief, complement, relatie, functie, bereik van een functie, domein van een functie, etc. Kortom, basiswoorden. Is Van Dale op dit elementaire gebied volledig, consistent en correct? Het antwoord is: nee, nee en nee. Wat zegt Van Dale over reflexief? Dit:

(17) 1. (taalk.) wederkerend … 2. door reflectie [… ] kennend, syn. bespiegelend.

Niets over het zo fundamenteel belangrijke feit dat sommige relaties reflexief kunnen zijn, zoals wel wordt verteld door Petit Robert:

(18) Math. Relation réflexive, qu'un élement peut avoir avec lui-même (ex.: l'identité)

Definitie (17) is dus incorrect. Bij symmetrisch kan Van Dale de vergelijking met Petit Robert beter doorstaan, zij het dat zijn definitie onnodig abstract geformuleerd is. Hier is Van Dale weer inconsistent, want reflexief is niet zo goed als symmetrisch. Ook bij transitief gaat het weer mis: ‘(wisk.) overdraagbaar’. Deze omschrijving zit onnodig ver beneden de ondergrens. Overdraagbaar? Wat is dat? Van Dale omschrijft overdraagbaar als ‘overgedragen kunnende worden: seksueel overdraagbare aandoeningen’. Wiskunde en seks, een onverwacht verband, zo blijkt. Webster geeft (19) en Petit Robert (20).

(19) Math. designating a relation having the property that, whenever a first element bears a particular relation to a second that in turn bears this same relation to a third, then the third element bears this relation to the first (identity and equality are transitive relations)

(20) Log. Se dit d'une opération ou d'une relation qui, lorsqu'elle lie un premier terme à un second, et ce dernier à un troisième, lie de la même facon le premier terme au troisième (et ainsi de suite). Ex. Dans A = B et B = C, la relation égale est transitive, et A = C. Les relations égale, plus grand, plus petit que …, antérieur, postérieur à , implique, sont transitives

Deze definities zijn voluit gegeven om het vermoeden weg te nemen dat ik kritiekloos zou staan ten opzichte van buitenlandse woordenboeken. Zo toont vergelijking van (19) en (20) aan dat Webster incorrect is. Petit Robert houdt de juiste volgorde aan, dus als aRb betekent ‘a staat in de relatie R tot b’ dan houdt transiviteit in: voor alle x, y en z, als xRy en yRz, dan xRz, terwijl Webster zegt: als xRy en yRz, dan zRx. Dit gaat voor veel transitieve relaties niet op (wel voor ‘broer van’, maar niet voor ‘kleiner dan’). Petit Robert geeft de goede definitie. Iemand die ooit het woord transitief voor relaties heeft geleerd, maar bij wie die kennis wat is weggezakt, is dankzij Petit Robert weer precies op de hoogte. Wat een wereld van verschil met Van Dale. Maar Van Dale kan antwoorden: zie bij transitiviteit, want daar staat immers:

(21) het transitief-zijn: de wet van de transitiviteit: als a b tot gevolg heeft en b c, dan heeft a c tot gevolg (Krol).

En is dat niet de informatie van (20)? Nee dus. Het citaat van Gerrit Krol is weliswaar niet strijdig met (20), maar het dekt niet dezelfde lading. Krol geeft een voorbeeld van de toepassing van een veel algemener gestelde wet. Gevolgrelaties vormen slechts een deel van alle relaties die door transitiviteit geordend worden. Je moet dus ook nog oppassen met citaten in Van Dale.

Zeer slecht want onnodig vaag gedefinieerd zijn ook: isomorfisme als ‘(wisk.) aanduiding tot betrekking tussen verzamelingen’ (Webster is veel beter, maar dat is dan ook makkelijk); topologie als: ‘leer van de eigenschappen waarbij de samenhang niet wordt verbroken’ (Petit Robert geeft: ‘partie de la géometrie qui étudie les propriétés qualitatives et les positions relatives des êtres géométriques, indépendamment de leur forme et de leur grandeur …’); distributie als ‘(wisk.) stelsel sectoren die ieder aan een bep. punt verbonden zijn’. De laatste definitie is te veel toegespitst op een specifiek onderdeel van de wiskunde ten koste van een veel algemener wiskundig gebruik van de termen distributie, distributief en distribueren, die niet goed worden gedefinieerd.

Nu het functiebegrip. Van Dale definieert wel functie, maar niet bereik (van een functie) en ook niet domein, laat staan co-domein. Belangrijke termen als beeld, origineel, argument(waarde), functiewaarde, één-op-één, bijectie, injectie, surjectie, etc. ontbreken. Webster 1974 en Petit Robert doen dit aanzienlijk beter. Erger nog, Van Dale geeft (22) als definitie van functie terwijl zij in onbruik is geraakt.

(22) (wisk.) veranderlijke grootheid die als zodanig van een of meer andere afhangt: (ook van niet-wiskundige grootheden en waarden) in functie van —.

Ik kom daar nog op terug. Eerst moet worden opgemerkt dat het functiebegrip direct gekoppeld is aan het afbeeldingsbegrip: voor velen (o.a. Van Dalen, Doets en De Swart 1975) is het woord functie synoniem met afbeelding, voor anderen is er een miniem verschil (o.a. Sesam 1977;1980, Wijmans 1980). Van Dale geeft bij afbeelding een correcte definitie:

(23) (wisk.) betrekking tussen twee verzamelingen of figuren waarbij aan ieder punt van de ene verzameling één punt van de andere verzameling is toegevoegd, syn. correspondentie.

De synonymieverklaring lijkt me misleidend. In de taalfilosofie wordt de zogeheten correspondentietheorie van betekenis wel eens aangeduid als afbeeldingstheorie, maar op het technische niveau waarop de term afbeelding wordt gebruikt in (23) is de synonymie ongebruikelijk, en zelfs misleidend gezien de één-op-één-suggestie die er van uitgaat. Hier is nog over te twisten, maar bedenkelijk in (23) is dat er geen enkele relatie wordt gelegd met het woord functie, dat voor zovelen nagenoeg synoniem is met afbeelding. Moet nog gezegd worden dat Van Dale hier weer mijlenver achterligt op Petit Robert:

(24) Relation qui existe entre deux quantités, telle que toute variation de la première entraîne une variation correspondante de la seconde (ou en terme d'ensembles, étant donnés deux ensembles X et Y, ‘toute opération qui associe à tout élément x de X un élément y en Y que l'on note f(x)’ (Choquet). Dans l'expression y = f(x), y égale f de x, f est la fonction, x est la variable (ou variable indépendante) et y l'image de x (ou variable dépendante). REM. On appelle parfois abusivement Fonction l'expression y = f(x) ou encore la variable dépendante y.

Petit Robert slaat drie vliegen in één klap: (i) een voortreffelijke uitleg van functie en de ermee verbonden begrippen afhankelijke variabele (= beeld) en onafhankelijke variabele. Met (24) kan een niet-wiskundige goed uit de voeten. Er wordt een algemene definitie van een wiskundig begrip gegeven die voortreffelijk tussen een redelijke ondergrens en bovengrens in zit: (24) zegt wat een functie is, wat zij doet en wat de ingrediënten ervan zijn en zij geeft informatie over de wijze van spreken; (ii) hij geeft en passant een correctie op de verkeerde definitie (22) van Van Dale, want de veranderlijke grootheid waar Van Dale over spreekt is niets anders dan de afhankelijke variabele y die vroeger verwarrend functie werd genoemd, terwijl y tegenwoordig functiewaarde genoemd wordt; en (iii) Choquet is een wiskundige, niet een schrijver. Er wordt dus ook uitgelegd hoe wiskundigen spreken.

Mijnheer Van Dale Wacht Op Antwoord. Van Dale zal dit rijtje toch wel in orde hebben. Maar dat is niet zo. Wortel wordt omschreven als:

(25) (reken.) de wortel van een getal, een getal dat, één of meermalen met zichzelf vermenigvuldigd, het eerste getal oplevert (aangeduid door ): … 3 is de wortel van 9, want 3 ¥ 3 = 9.

Gelukkig staat de uitleg aan het eind, maar men vraagt zich af wat het eerste getal is dat in de definitie staat en wat datgene is dat wordt aangeduid door . Sterk is het niet. Macht wordt gedefinieerd als:

(26) (wisk.) produkt van gelijke factoren: 27 is de derde macht van 3 (aangeduid door 33); 3 in de derde macht, 3¥3¥3, a tot de macht n, to de n-de macht (an).

Waarom macht tot de wiskunde behoort en worteltrekken tot de rekenkunde blijft een raadsel, maar ook hier wordt niet goed gedefinieerd. Immers, er wordt niet uitgelegd dat de term macht staat voor de exponent n in an. Of zo men wil ook staat voor an. Kohnstamm & Cassée (1992) definieert macht als:

(27) de exponent die aangeeft hoeveel malen een getal met zichzelf moet worden vermenigvuldigd, en die daartoe rechts boven het getal wordt geplaatst. Zo geeft de zes in 106 aan dat 10.10.10.10.10.10 bedoeld wordt.

Hoe dan ook is dit de meest correcte definitie van de twee, al zou men kunnen zeggen dat Van Dale meer definieert op het resultaat dan op de operatie zelf. Petit Robert geeft voor puissance (28) waarbij exposant is gedefinieerd als (29):

(28) Math. Puissance d'un nombre, produit de plusieurs facteurs égaux à ce nombre, le nombre de facteurs étant indiqué par l'exposant.

(29) Expression numérique ou algébrique exprimant la puissance à laquelle une quantité est élevée.

Met deze twee definities combineert hij de informatie in (26) en die in (27) tot een goed geheel. Van Dale scoort het minste van de drie.

Samenvattend, zien we talrijke tekortkomingen op de vijf toetsingspunten. De goede wil is er wel, want er worden wiskundige termen opgenomen, soms ook precies omdat ze blijkbaar zijn genomen uit een boek waarin hun gebruik werd vastgelegd. Laat ik nogmaals benadrukken dat men dit alles niet mag afdoen met de constatering dat het hier gaat om esoterische vaktermen. Veel ervan zijn volop in gebruik ook buiten de wiskunde. Bovendien geeft Van Dale zelf aan wiskundige termen een veelvoud van de termen die hier zijn besproken, en ook veel meer termen dan het Algemeen Cultureel Woordenboek, zoals affien, complex, continu, graaf, grafentheorie, tangent, tensor, etc. Hiervoor geldt de simpele al eerder genoemde regel: als je het doet, doet het dan goed. Een wiskundig vakoog heeft niet altijd moeite met de gegeven definities. Maar uit de (te) grote hoeveelheid missers moet men afleiden dat Van Dale dan per toeval een goede bron onder ogen heeft gehad. Er is geen enkel redactiebeleid waar te nemen dat eist dat de termen dwingend in hun onderlinge samenhang worden aangeboden. Dus, associatief is wel precies gedefinieerd maar over distributief, complement, en commutatief wordt niets of niet voldoende gezegd. Het courante functiebegrip ontbreekt, en er is geen aansluiting gezocht bij wat zich op dit ogenblik ontwikkelt tot het standaardgebruik. Ook wordt niet een systematische poging gedaan om met behulp van citaten te laten zien hoe bepaalde kernbegrippen worden gebruikt.

1.4 Iets over levenswetenschappen. Van Dale bevat veel medische termen. Blijkbaar leest Van Dale medische literatuur. Toch ontbreekt er ook hier iets in de systematiek: er is geen medische begeleiding, zogezegd. Een vakoog ziet eigenaardigheden zoals de volgende. Otoscoop wordt omschreven als ‘werktuig tot onderzoeking van het gehoor’. Fout: een oorspiegel onderzoekt niet het gehoor, maar het oor, met name het trommelvlies en de uitwendige gehoorgang. Vreemder is dat het wel correct staat bij het als synoniem genoemde oorspiegel. Een merkwaardige slordigheid staat er bij osteoporose:

(30) 1. langzaam voortschrijdende skeletaandoening waarbij het gewicht van de botten afneemt, maar de samenstelling gelijk blijft, syn. ontkalking.

Het kenmerkende van osteoporose is nu net dat de samenstelling niet gelijk blijft; ook zou dichtheid beter zijn dan gewicht. Woorden als angina en cervix staan er correct in maar enige zorg wekt het vrolijke cervixstift dat wordt omschreven als ‘zeker anti-conceptiemiddel’. Niet veel ouders zullen Van Dale 13 cadeau doen aan hun jonge dochters als deze ambiguïteit gehandhaafd blijft.

Boulimie en anorexia zijn niet voldoende gedefinieerd. Bij boulimie ontbreekt het uitbraken van eten als kenmerkend element. Boulimie wordt beschreven als een psychische stoornis, anorexia nervosa als een door psychische en/of sociale factoren veroorzaakte ziekte. Wat inconsequent is. Het kernprobleem –lokale volledigheid– is natuurlijk dat de vergaande samenhang tussen de twee stoornissen niet wordt aangeduid of benadrukt. Menostase wordt gedefinieerd als ‘(med.) het ontijdig ophouden van de menstruatie’. Wie benieuwd is naar de betekenis van ontijdig leest: ‘niet op het goede moment komend of plaatsvindend’. Maar dat geeft niet voldoende informatie over het woord menostase. Betekent het ‘het voortijdig of te laat ophouden van de menstruatie’? Is de term van toepassing op één maandstonde of op de totale menstruatie? Het wordt niet duidelijk, dus waarom staat zo'n woord er dan in? Als menorragie (weer dat ontijdig!) wordt opgenomen, waarom dan ook niet de bijbehorende term metroragie (‘tussentijds bloedverlies’)? Een consistentieprobleem ontstaat doordat bij groeischijf staat vermeld ‘kraakbeenachtige schijf bij de uiteinden van beenderen, waar de groei plaats heeft’. Het voorzetsel bij moet aan zijn; en beenderen moet gelezen worden als een pijpbeen. Bij groeischijf staat als synoniem epifyse. Correct en zelfs meer dan dat: bij epifyse staat de gewenste informatie wel goed. Vraag: waarom is groeischijf niet beter afgesteld op epifyse. Het antwoord is inmiddels bekend.

Valium is eigenlijk een merknaam en geen stofnaam net als aspirine en librium. Er is geen bezwaar om alle drie als stofnamen te behandelen, maar Van Dale geeft de merknaaminformatie wel bij aspirine en librium en niet bij valium. Bovendien verzuimt hij om diazepam, de werkelijke stofnaam op te nemen, terwijl bij librium de verwante maar minder fundamentele term chloordiazepoxyde wel voorkomt. Hysterie wordt omschreven als zich uitend in ‘verlamming, kramp, zenuwachtigheid en tal van andere verschijnselen’, terwijl de klassieke trias ‘onechtheid, infantiliteit, en egocentriciteit’ wordt weggelaten. Bij syndroom ontbreekt de essentiële informatie dat het gaat om een complex van ziekteverschijnselen waarvan de oorzaak onbekend is (of was), zodat het vaak wordt genoemd naar de ontdekker. Opvallend is ook dat in definities van ziekten of stoornissen onnodig de oorzaken ervan worden weggelaten: bij acromegalie de informatie dat zij veroorzaakt wordt door een overproductie van het groeihormoon; bij suikerziekte dat zij veroorzaakt wordt door een tekort aan insuline.

Tot slot een merkwaardige reeks. Spondylarthrosis wordt omschreven als:

(31) arthrosis van de intergewrichtjes der wervels.

Wie intergewricht opzoekt vangt bot, maar vermoedelijk bedoelt Van Dale gewrichtjes tussen de wervels. Zoekt men verder bij arthrosis dan ontbreekt ook dat woord, maar via arthrose wordt men doorverwezen naar artrose. Bij artrose gekomen, vinden we een verkeerde definitie: ‘chronische gewrichtsontsteking’. Artrose is geen gewrichtsontsteking, want dat is zoals Van Dale zelf ook zegt artritis. Artrose is meer een slijtage, waardoor de gewrichtsvlakken minder vlak worden. Het komt dan ook meestal voor bij oude mensen.

Ziehier een tocht van ruim een half uur door de medische termen in Van Dale met twee medici. Voldoende om alle reeds gesignaleerde tekorten op het gebied van volledigheid, consistentie en correctheid in volle glorie te mogen aanschouwen. Wat Van Dale mist, is een getraind medisch oog dat in staat is om voldoende samenhang en gelijkwaardigheid in de definities te bewerkstelligen.

Een soortgelijke tocht met een biochemicus door de biochemische termen levert vrijwel hetzelfde beeld op. Correct zijn de definities van nematicide, nematode, genoom, oxydase, plasmide. De definitie van het laatste woord is zelfs sterk verbeterd t.o.v. Van Dale 11. Nieuw en ook correct zijn transgeen, transposon, maar dit laatste woord is een wel veel gespecialiseerder term dan bijvoorbeeld restrictie-enzym dat ontbreekt, maar dat niet mag ontbreken als er een groot aantal termen wel vermeld wordt. Iets soortgelijks geldt voor oxydase. Oxydasen vormen een klasse van enzymen waarvan er nog minstens vijf even grote klassen zijn. Desondanks ontbreken de namen ervan, zoals ligase, hydrolase, die net als oxydase uit de klassieke biochemie komen en dus niet al te nieuw zijn. Transgeen maken staat er wel in, niet transformeren of transfecteren.

Houdt Van Dale de ontwikkelingen in de levenswetenschappen bij en hoe doet hij dat? Op die vraag wordt in het voorwoord geen antwoord gegeven, zodat het bij gissen blijft. Laten we een vakoog meekijken, dan blijkt dat er wel goede definities in staan, maar ook slechte en dat de informatie onevenwichtig van kwaliteit is. Het is bovendien onthullend te zien welke termen er ontbreken. Ook hier dus weer het bekende beeld: men is bij Van Dale wel aangesloten op de verschillende wetenschappen, maar blijkbaar alleen doordat leken (de lexicografen) de betekenissen van de termen beschrijven. Er zal vast ook wel wat hulp worden ingeroepen van experts, maar die zullen alleen maar commentaar geven op losse woorden. Wat ontbreekt, is de gerichtheid om de experts van een vakgebied systematisch bij te betrekken bij de keuze en bij de definities van de woorden. Dat zou kunnen door een redactie te vormen waarin de verschillende wetenschappen op voldoende wijze worden gerepresenteerd, zoals bij Webster het geval is. Dat het Webster-model nog niet is doorgedrongen tot de Nederlandse lexicografie is onbegrijpelijk.

1.5 Iets over economie en financiën. Al ben ik geen wiskundige, de wiskunde is zo doorgedrongen in de taalkunde en logica, dat ik toch wel een beetje kan meepraten. De meeste van de besproken termen vormen een deel van mijn technisch vocabulaire en zoals ik als schaker kan beoordelen of Van Dale goed is aangesloten op het vigerend taalgebruik, kan ik dat doen voor die delen van de wiskunde en wiskundige logica die ik als taalkundige moet gebruiken. Maar ik ben geen econoom of bankier. Ik heb niet zoals in §1.4 de hulp ingeroepen van een vakoog, want het leek me ook wel aardig om een oordeel te vellen vanuit de positie die het beste te beschrijven als ‘geïnteresseerde lezer van de Economie-katernen van bijvoorbeeld NRC Handelsblad en De Volkskrant’.

Eerst volledigheid. In een willekeurig gekozen nummer van NRC Handelsblad staat effectenhuizen maar het woord is niet te vinden, net zo min als rente-ontwikkeling en vastgoedfonds. Jammer, maar niet verontrustend. Dat afwaarderen ontbreekt is erger, want voor zover ik dat als leek kan afleiden is het een gevestigde term die in een nieuwsanalyse gebruikt wordt voor het naar beneden brengen van de waarde van vastgoed. Maar nog steeds geen reden tot zorg. Van Dale scoort zelfs redelijk met de uitleg van vermogen (per aandeel), marktprijs, prijsvorming, kasstroom, etc. Zo men al niet een idee heeft van waar het over gaat, men wordt in elk geval voldoende geïnformeerd. Dat is het geval met termen als bankbrief, obligatie, kapitaalobligatie, achterstellen (van een obligatie), converteerbare obligatie, premie-obligatie, prioriteitsaandeel, preferente aandelen, en zelfs cumulatief preferente aandelen. Het is of Van Dale een speciale relatie heeft ontwikkeld met de bankwereld.

Maar het bekende patroon van hierboven wordt toch wel weer zichtbaar bij devalueren. Ach, een gemiddelde taalgebruiker weet natuurlijk wel zo'n beetje wat het is, maar juist zo'n algemeen gebruikt woord moet toch goed in het woordenboek staan. Dat is ook zo, zo lijkt het:

(32) 1. (m.betr.t. een munteenheid) de goudwaarde ervan verminderen, zodat de pariteit t.o.v. buitenlands geld vermindert, tgov. revalueren, revaloriseren; 2. … ; 3. (meestal fig.): verminderen: dat de waarde van theoretisch en systematisch denken gemakkelijk devalueert (Wijsgerig Perspectief)

Althans als je weet wat pariteit is. Van Dale definieert pariteit als:

(33) 1 (jur.) … 2. (hand.) … 3 (muntw.) gelijkheid van reële en nominale waarde van geldswaarden … .

Wie even doorbijt met het wat vreemde waarde van geldswaarden, en er het beste van maakt, komt bij vervanging van pariteit door de informatie in (33) uiteraard toch niet echt verder. Wel via parity in Webster (1974):

(34) equality of value at a given ratio between different kinds of money, commodities, etc.

maar in plaats van (32) lees ik liever bij devaluation:

(35) 1. a) a reduction in the amount or fineness of metal, esp. gold, officially designated as the standard of value of a monetary unit b) an official lowering of the exchange value of a currency with reference to other currencies 2. a lessening in value, importance, etc.

Ook al mist deze definitie de gewenste precisie, zij leidt via (35) naar exchange. Daar wordt haarfijn het kernbegrip uitgelegd, nl. dat het bij pariteit gaat om de equivalentie van een geldwaarde uit een geldsysteem uitgedrukt in het geldsysteem van een ander land.

Moet ik nog verder? Nee, eigenlijk niet, behalve met de opmerking dat in (32) opnieuw het gevaar van verkeerd citeren ontstaat. Kunnen waarden devalueren? Naar mijn gevoel zit er door value in devalueren een redundantie in, en als Wijsgerig Perspectief zegt "de waarde … devalueert", dan is de vraag of de zin uit Wijsgerig Perspectief niet gewoon verkeerd of "op het randje van goed" is?’. Ik geef toe dat ook een zin als dat theoretisch en systematisch denken gemakkelijk devalueren niet erg bevredigt, maar als Van Dale het figuurlijk gebruik van devalueren illustreert, moet hij beter in de gaten houden dat in het taalgebruik de munteenheden devalueren of revalueren. Je zegt Het Engelse pond is gedevalueerd of De waarde van het Engelse pond is verminderd, maar niet De waarde van het Engelse pond is gedevalueerd. De redactie van Wijsgerig Perspectief had de auteur van het artikel moeten voorstellen om devalueert in (33) te vervangen door vermindert. De auteur zou het advies zeker hebben opgevolgd.

De gevoelige tenen van de zich empirisch voelende lexicografen gaan nu pijn doen, want zij registreren immers het taalgebruik. Maar als zij zich conformeren aan bestaande regels die de spelling van woorden vastleggen (het meervoud van soufflé –Van Dale 12 geeft incorrect ’s in plaats van s– zal in Van Dale 13 ongetwijfeld worden aangepast aan de Woordenlijst ), dan is niet in te zien waarom zij zich niet zouden conformeren aan het goed gebruik van termen die uit bepaalde vakgebieden voortkomen. Met deze uitspraak stap ik op nog meer tenen, maar het is niet zo dat ik pleit voor prescriptie, wel voor consequent handelen. Uit het citaat van Krol hierboven werd al duidelijk dat Van Dale door onzorgvuldigheid actief bijdraagt aan onzorgvuldig gebruik van de term transitiviteit, hier zou men Van Dale kunnen verwijten dat hij niet gewoon laat zien hoe men devalueren wel correct gebruikt. Wie zich laat aanleunen dat Van Dale een taalautoriteit is, mag een redelijk behoedzaam beleid verlangen op het gebied van verkeerd gebruikte termen.

1.6 Iets over rechten. Er staan veel rechtstermen in Van Dale. Ook hier heb ik geen vakoog ingeschakeld, maar ik heb de bekende inleiding tot het recht van Knottenbelt, Torringa, Verheugt (1990) aangeschaft. Afgaande op dit werk worden allerlei soorten recht goed beschreven zowel bij de soortnamen zelf als onder het woord recht. Ook worden specifiekere woorden als dwingend en aanvullend in hun juridische betekenis opgenomen. Van Dale heeft duidelijk toegang tot rechtsliteratuur. De vraag is alleen weer hoe.

Die vraag duikt al snel op, want het gaat bij een willekeurig begonnen speurtocht door Van Dale al snel weer mis. Het woord vermogensrecht wordt omschreven als ‘recht, betreffende materiële rechtsgoederen’. Maar wat zijn materiële rechtsgoederen? Bij rechtsgoederen staat ‘de door de rechtsorde beschermde belangen (…)’, maar hoe moet men materieel interpreteren, gegeven het onderscheid tussen het materiële en het formele recht? In zijn niet-juridische betekenis van ‘stoffelijk’ of in zijn juridische betekenis? Maar in dit laatste geval loopt men vast, want daar betekent het ‘feitelijk’. Is het vergezocht? Ik betwijfel het omdat onder de term vermogensrecht niet alleen in geld waardeerbare zaken vallen, maar ook rechten uit overeenkomsten.

Bij bestuursrecht lijkt zich een raadsheer-loper-probleem voor te doen. In Knottenbelt, Torringa en Verheugt (1990) staat dat bestuursrecht een moderner begrip is dan administratief recht. Bij Van Dale staat alle informatie over bestuursrecht bij administratief. Een soortgelijk geval doet zich voor bij het juridische begrip bedreiging, dat in het Nieuw Burgerlijk Wetboek de plaats heeft ingenomen van het vroegere begrip dwang. Bij wilsgebrek wordt gezegd dat als zodanig geldt: dwang, dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden. Bij geen van deze termen geeft Van Dale de juridische betekenis. Ook wordt de verandering van dwang in het Oude Burgerlijke Wetboek naar bedreiging in het Nieuwe niet gesignaleerd, terwijl deze betekenis ‘het uitoefenen van psychische dwang waardoor de wil van de bedreigde wordt beïnvloed’ als algemene definitie beter is dan Van Dale's eigen definitie die via dreigen neerkomt op ‘een kwade bejegening of onaangename ervaring in het vooruitzicht stellen’. In Van Dale ontbreekt het voor een bedreiging (in deze betekenis) wezenlijke element dat moet worden toegevoegd: ‘… indien men niet doet wat de dreigende persoon zegt’.

Het derde en zesde boek van het NBW, die voor de wilsgebreken relevant zijn, werden ingevoerd per 1 januari 1992. Nu kan men zeggen dat het niet fair is om Van Dale te verwijten dat hij in 1992 ingevoerde wetboeken niet heeft verwerkt. Het is een kwestie van optiek: nu heeft Van Dale het voorlaatste woord. De tekst van het NWB was allang voor 1992 beschikbaar en men had er de beschikking over kunnen hebben. Maar dat kan alleen als Van Dale direct contact onderhoudt met juridisch geschoolden die een goed inzicht hebben in de vraag welke termen moeten worden aangepast.

Tenslotte nog een voorbeeld van inconsistentie. Het woord rechtsmiddel wordt correct beschreven. In de beschrijving wordt opgesomd welke gewone rechtsmiddelen er zijn: verzet, hoger beroep, en cassatie. Bij verzet staat: ‘(jur.) rechtsmiddel tegen een uitspraak van een rechtsprekende instantie …’. Ook dat is correct, maar bovendien sluit het mooi aan bij rechtsmiddel. Maar zowel bij beroep, beroepen, hoger als bij cassatie keert het gebruik van de term rechtsmiddel niet terug. Hoe heette al weer dat oeroude lexicografische beginsel dat ondanks de bezwaren ertegen een zekere eenheid van informatie garandeerde? Juist, genus proximum et differentia specifica.

1.7 Iets over muziek. Ach, de meeste muziektermen zoals allegro, etc. staan wel in Van Dale. Maar waarom basklarinet en bastuba zijn opgenomen en esklarinet en bastrombone niet, terwijl de laatste twee net als de andere twee verbonden zijn aan gevestigde posities in het Concertgebouworkest, kan alleen verklaard worden uit het feit dat Van Dale niet bezig is met een definitiegebied als geheel. Een abonnement op Preludium zou al voldoende zijn om de ergste klappen op te vangen. Dan zou ook polster opgenomen zijn, maar zoals gezegd, ik zal Van Dale niet lastig vallen met globale onvolledigheid. Ik zal het daarom nu over lokale onvolledigheid hebben. In een interview in het decembernummer van Preludium(1992) lees ik: "een all-round slagwerker moet thuis zijn op de …, om de meest gangbare [cursivering hjv] te noemen". Op de plaats van de puntjes staat een reeks van negentien slaginstrumenten. Vijftien ervan worden in Van Dale genoemd, waaronder bongo, conga, en tamtam, maar de even exotische tomtom, flexaton en crotales ontbreken. Waarom?

Een vakoog brengt ons al snel op de wat diepere laag van onbehagen, die ik bij de beschrijving van de schaaktermen heb aangeboord. De omschrijving van instrumenten in Van Dale is op zijn minst ongelukkig te noemen. Contrafagot wordt bijvoorbeeld omschreven als een ‘grote lage fagot’, wat wel heel erg dicht bij de ondergrens zit, terwijl althoorn plotseling met een oprisping van exactheid wordt gedefinieerd als ‘koperen blaasinstrument met pistons, ‘saxhorn alto’, omvang a-b2’. De informatie over de toonomvang ontbreekt bij vrijwel alle instrumenten. Daarentegen wordt althobo fout omschreven als ‘laaggestemde hobo’. Fout, omdat het een volwaardig lid is van de hobofamilie. Deze voorbeelden illustreren het ontbreken van een richtlijn voor de definities: instrumenten dienen net als de stukken van een schaakspel consistent op een aantal constante kenmerken te worden beschreven.

Maar het wordt erger: Van Dale blijkt niet in staat te zijn precieze informatie te geven over elementaire begrippen in de muziekleer. Zo wordt de muziekbetekenis van orkestreren gedefinieerd als:

(36) 1. voor orkest bewerken; de partijen uitwerken van een compositie; …

Dit is fout. Het moet zijn: het zetten van een muziekstuk voor de verschillende instrumenten van een orkest. Een bewerking is het naar eigen inzicht veranderen van een reeds bestaande compositie, en het uitwerken van partijen valt gewoon onder het componeren zelf. Instrumenteren staat omschreven als:

(37) (m. betr. t. een muziekstuk) zetten voor de verschillende instrumenten van een orkest, syn. arrangeren.

Ook dit is fout. Instrumenteren moet gedefinieerd worden als

(38) een muziekstuk zetten voor andere instrumenten dan de oorspronkelijke bezetting.

In (37) staat dus eigenlijk de definitie van orkestreren. Opvallend is dat bij arrangeren wel (het equivalent van) de goede definitie (38) te vinden is. Maar daar staat als synoniem bewerken. Bij bewerken wordt echter geen enkele muziekbetekenis gegeven. Een vakoog ziet ook dat ten onrechte ontbreken muziekdictee, hoofdvorm, sonatevorm, vormanalyse, fanfareorkest, summatietonen, octaverend, applicatuur, etc. etc., terwijl de omschrijvingen van schoolmuziek, instrument(al)ist, figuratie, transponerend, etc. etc. fout zijn. Ook hier heeft het vakoog niet meer dan een uur gekeken.

1.8 Iets over … Moet ik nog verder gaan? Moet nog worden uitgelegd dat een faculteitsvergadering niet een ‘vergadering van hoogleraren van een faculteit’ is, dat faculteitsraad erg ongelukkig wordt uitgelegd als ‘college dat een faculteit (mede) bestuurt’; dat faculteitskleur te beperkt wordt gedefinieerd als ‘onderscheidingskleur voor de studenten van een faculteit’ (tellen kleuren op toga's niet mee?); dat faculteit niet meer in termen van hoogleraren moet worden gedefinieerd: ‘elk der hoofdafdelingen met de daarvoor aangewezen hoogleraren waarin het onderwijs aan een universiteit e.d. gesplitst is’; dat het onzinnig is om professor te definiëren als ‘titel van en ben. voor een hoogleraar’ en hoogleraar als ‘professor aan een academie, universiteit of hogeschool’? Dat het woord hogeschool hier ridicuul is? Zijn er tegenwoordig hoogleraren in het HBO? Zit men werkelijk stil bij Van Dale? Onder hoogleraar wordt gewoon hoogleraar omschreven als: ‘die belast is met het onderwijs in een vak waarvoor een aparte leerstoel bestaat en die stem heeft in de senaat van de universiteit’. Deze definitie stond al in Van Dale 8 en was toen wèl correct; nu niet meer. De WUB is blijkbaar niet tot Van Dale doorgedrongen: hoofddocent staat er althans niet in, net zo min als universitair hoofddocent bij universitair. Wel staat bij het begin van de U de afkorting U.H.D. En zo kan men doorgaan en doorgaan. Op vrijwel elk gebied dat men betreedt (en het gaat hier dus niet om moeilijke vakgebieden), staat dit soort ongerechtigheden bij bosjes. Men zou bijna wensen dat het woordenboek eens vanaf de grond opnieuw werd opgebouwd.

1.9 Conclusie. In het bovenstaande is Van Dale 12 beoordeeld op vijf toetsingspunten voor de gegeven definities van woorden: compleetheid, consistentie, correctheid, courantheid en citaties/commentariërende toelichting.

Hiermee gewapend betrad ik gebieden die van belang zijn voor onze cultuur en maatschappij. Over de maatschappelijke en culturele rol van logica, wiskunde, medische vakken, biochemie, economie, financiën, rechten, etc. –en bij dit etc. zou ik het schaakspel ook willen voegen– valt niet te twisten. Aangetoond werd voor deze kennisgebieden dat Van Dale niet uit is op het aanbrengen van samenhang in zijn definities. De kern van het gesignaleerde probleem is natuurlijk dat Van Dale geen duidelijke definitie van vaktaal geeft of heeft. Er is dan ook geen enkele reden aan te nemen dat Van Dale probeert het ideaal van compleetheid, consistentie en correctheid te bereiken in kennisgebieden die hier niet zijn behandeld. De kern van mijn kritiek is dat sommige termen er precies in staan, althans redelijk precies, terwijl ermee samenhangende definities niet of niet goed worden gegeven. Bovendien wordt te vaak incorrecte informatie gegeven. Dat is Van Dale zwaar aan te rekenen.

Ook kon worden aangetoond dat Van Dale faalt op het punt van ontwikkelingen in het taalgebruik dat uit de wetenschappen de omgangstaal binnenkomt. Dat is geïllustreerd met het duo raadsheer-loper, maar daarna heb ik het herhaaldelijk gesignaleerd (predikaat, functie, etc.). Tenslotte blijken de citaten en de commentariërende toelichtingen van Van Dale voor verbetering vatbaar. Van Dale leest met onverstand. Dit blijkt uit citaten voor paard, voor waarheidswaarde, voor transitiviteit, voor devalueren, etc. etc.

De oorzaken van het falen liggen diep verborgen in het verleden. Ze zijn wezenlijk verbonden met de geschiedenis van de Nederlandse lexicografie, die haar huidige ideologie nog steeds bepaalt. Die ideologie is nog steeds die van de 19e eeuwse filologen die de schatten van het verleden wilden openbaren aan het volk. Met name de literaire schatten, en liefst die uit onze bloeiperiode. In het voorwoord van Van Dale 8 is die ideologie in al haar Kruyskampse glorie aan het woord. Dat er in deze eeuw tal van wetenschapsgebieden zijn ontstaan waarin begrippen werden en worden ontwikkeld die al vrij snel in het dagelijks taalgebruik terechtkomen, het valt lexicografen wel op, maar ze hebben er nog steeds niet de consequenties uit getrokken. Het resultaat is nu dat het WNT en daarmee ook Van Dale op twee gedachten hinkt. Been 1: Van Dale is de literaire schatbewaarder (de citaten!), waarmee een soort concordantieideaal wordt nagestreefd. Been 2: Van Dale is een werk dat betrouwbare informatie verschaft over bepaalde facetten van de werkelijkheid. Elk op zich respectabele doeleinden. Maar Van Dale doet er goed aan zo snel mogelijk het besluit te nemen zich te richten op zijn taak als betrouwbare taalgids voor de werkelijkheid, en zijn taak als literaire gids te beëindigen.

Als Van Dale tot die slotsom komt, houdt dat in dat hij begint aan een zeer grondige schoonmaak op vrijwel elk kennisgebied waarop hij zich heeft gewaagd. Zoals gezegd, het Webster-model zou aan te bevelen zijn. Een soortgelijke slotsom zal ook worden getrokken uit de analyse van het registergebruik in Van Dale, in deel II van dit artikel. De mankementen behandeld in deel I en die in deel II zijn beide terug te voeren op eenzelfde houding: gebrek aan belangstelling voor de vraag hoe de beste der mogelijke werelden echt in elkaar zit. En in die wereld hoort een hoofdredacteur van Van Dale niet een tevreden mens te zijn.

Bibliografie:

Battus (1993), Letterkunst. Querido: Amsterdam.

Kohnstamm, G.A. & H.C. Cassee (red.), Het Cultureel Woordenboek. Encyclopedie van de algemene ontwikkeling. Anthos: Baarn 1992.

Heestermans, H. (1992a), Hollands Dagboek NRC Handelsblad 5 september 1992.

Heestermans, H. (1992b), ‘Een bachtrompetje doet me meer dan een baarkruk’. In: Onze Taal 61, 216-218 (Interview door Peter Burger).

Knottenbelt, B. , R.A. Torringa & J.W.P. Verheugt (1990), Inleiding in het Nederlandse Recht. 6e druk. Gouda Quint: Arnhem.

Paulos, J.A. (1988), Innumeracy, mathematical illiteracy and its consequences. Penguin.

Robert, P. (1973), Le Petit Robert; dictionnaire alphabétique et analogique de la langue française. SNL: Paris.

Van Dale 6: hoofdredactie P.J. van Malssen jr. 1924.

Van Dale 7: hoofdredactie C. Kruyskamp en F. de Tollenaere 1950.

Van Dale 8: hoofdredactie C. Kruyskamp 1961.

Van Dale 9: hoofdredactie C. Kruyskamp 1970.

Van Dale 10: hoofdredactie C. Kruyskamp 1976.

Van Dale 11: hoofdredactie G. Geerts en H. Heestermans, met medewerking van C. Kruyskamp 1984.

Van Dale 12: hoofdredactie G. Geerts en H. Heestermans 1992.

Van Dalen, D., H.C. Doets & H.C.M. de Swart (1975), Verzamelingen; naief, axiomatisch en toegepast. Oosthoek, Scheltema & Holkema: Utrecht.

Sesam, Atlas van de Wiskunde. Deel 1. Grondbeginselen, algebra en meetkunde. Bosch & Keuning: Baarn 1977; Deel 2. Analyse en toegepaste wiskunde. Bosch & Keuning: Baarn 1980

Webster (1974), New World Dictionary of the American Language. 2nd College Edition.

Wijmans, F.S. (1980) Basiskennis Wiskunde. Leerboeken Informatica. Samson: Alphen a/d Rijn.